Het ene moment speelt je kind nog vrolijk, het volgende moment ligt het gillend op de grond om een sok die "verkeerd voelt". Of het wordt juist stil, kruipt weg, wil even niemand. Wat je ziet lijkt op onwil of een driftbui, maar vaak is het iets anders: een kind dat te veel prikkels heeft binnengekregen en het even niet meer kan verwerken.
In dit artikel lees je hoe overprikkeling werkt, hoe je het bij jouw kind herkent en, vooral, wat je op zo'n moment kunt doen.
Wat is overprikkeling (en prikkelverwerking)?
Prikkelverwerking gaat over hoe je kind alle informatie verwerkt die binnenkomt. De voor de hand liggende prikkels (geur, zicht, smaak, geluid, tast), maar net zo goed sociale informatie (verbale en non-verbale communicatie) en interne prikkels (bewegingsonrust, emoties, lichamelijk (on)gemak).
Officieel valt dat allemaal onder "informatieverwerking", maar ik vind "prikkels" een leuker woord dan "informatie". Het geeft beter weer dat gedrag een reactie is op iets wat binnenkomt (of ‘trigger’ als je meer van de Engelse termen bent, maar triggerverwerking klinkt al helemaal niet).
Overprikkeling ontstaat als er meer binnenkomt dan je kind op dat moment kan verwerken. De emmer loopt over. En net als bij een emmer zie je vaak niet de laatste druppel, maar wel het moment dat het overstroomt.
Prikkelverwerking in de ontwikkeling
Goed, nu we de terminologie opgehelderd hebben, kunnen we ons richten op de inhoudelijke kant van de prikkelverwerking. En dan specifiek de ontwikkeling hiervan.
Al rond de 20e week van de zwangerschap beginnen de zintuigen van een foetus te werken en kan hij horen, zien en proeven. Op dat moment werkt de baarmoeder, het vruchtwater en het lichaam van de moeder als een grote demper en filter waardoor alle prikkels minder hard binnenkomen. Wanneer een baby geboren is, kan het daardoor zijn dat hij erg veel moeite heeft om te wennen aan de grote hoeveelheid prikkels die hij ervaart. Een overprikkelde baby is een fenomeen die menig ouder wel bekend zal voorkomen; veel baby’s kunnen maar een beperkte mate van prikkels aan en een bezoekje aan een kinderfeestje of een rondje door de dierentuin kunnen al snel ontaarden in een baby die alleen nog maar kan huilen van overprikkeling en oververmoeidheid.
Hoe ouder we worden, hoe meer prikkels we aangeboden krijgen op alle mogelijke gebieden die je maar kan bedenken. Hoe je met deze overdaad aan prikkels omgaat, verschilt van persoon tot persoon. Dit maakt ook het verschil of ergens een probleem ontstaat of niet. We zijn ons gaandeweg meer en meer gaan richten op of we deze manier van prikkelverwerking en de problemen die hierdoor zijn ontstaan een naam kunnen geven. Op die manier kunnen we ‘het probleem’ dan verklaren en in een hokje stoppen. Wat eigenlijk veel relevanter zou moeten zijn dan de vraag ‘in welk hokje past deze prikkelverwerking?’ is de vraag ‘HOE verwerkt dit kind prikkels?’ ‘Heeft hij hulp nodig bij het verwerken van de prikkels?’ En zo ja: ‘Wát heeft dit specifieke kind, met deze specifieke prikkelverwerking dan nodig?’.
Signalen van overprikkeling bij kinderen
Hoe weet je nou of je kind overprikkeld is en niet gewoon moe, dwars of toe aan een driftbui? Eerlijk antwoord: dat is niet altijd scherp te scheiden, en het ziet er ook niet bij elk kind hetzelfde uit. Grofweg zie je twee richtingen: kinderen die naar buiten ontladen en kinderen die juist naar binnen keren.
Naar buiten kan eruitzien als:
- driftbuien, gillen, schoppen of slaan, vaak om iets ogenschijnlijk kleins;
- drukker, wilder of ‘gekker’ worden en even niet meer te bereiken zijn;
- snel gefrustreerd raken, op alles ‘nee’, overal tegenaan botsen.
Naar binnen kan eruitzien als:
- stil worden, zich terugtrekken, wegkruipen;
- huilen zonder dat je een duidelijke aanleiding ziet;
- vastlopen, niet meer kunnen kiezen of in beweging komen.
En vaak zie je het in de marge: slecht in- of doorslapen, hoofd- of buikpijn, niet willen eten, of het bekende patroon dat je kind zich op school de hele dag inhoudt en thuis, op de veiligste plek, alsnog ontploft.
En ja, je raadt het al: belangrijker dan de vraag ‘is dit nou overprikkeling of een driftbui?’ is de vraag wat je kind je met dit gedrag probeert te vertellen. Hetzelfde gedrag kan bij het ene kind overprikkeling zijn en bij het andere iets heel anders.
Wat kun je doen als je kind overprikkeld is?
Splits het in twee momenten: wat helpt tijdens de piek, en wat helpt om die piek minder vaak te laten komen.
Op het moment zelf:
- Minder in plaats van meer. Haal prikkels weg in plaats van er iets aan toe te voegen: zachter licht, geluid uit, mensen even op afstand, naar een rustige hoek of de gang.
- Stop met praten, uitleggen en corrigeren. Een overprikkeld brein neemt het toch niet op, en je woorden zijn op zo’n moment gewoon nóg een prikkel. Het goede gesprek voer je veel later, als je kind weer kan luisteren.
- Help je kind kalmeren met iets vertrouwds en voorspelbaars: een vast liedje zachtjes neuriën, samen onder een deken, even stevig vasthouden, naast elkaar niets doen. Wát het is maakt niet uit, als het maar bij jouw kind past. Het gaat om het vertrouwde dat het zenuwstelsel helpt ontladen.
- Laat bewegen het werk doen. Naar buiten, even rennen, op de trampoline. Bewegen is een bewezen manier om spanning kwijt te raken, zeker bij kinderen die van nature fysiek zijn ingesteld.
Om overprikkeling vóór te zijn:
- Bouw ontlaadmomenten in op een dag, juist vóórdat de emmer overloopt. Een kind dat zich op school heeft ingehouden, heeft thuis eerst leegloop nodig en geen vragenvuur over hoe het was.
- Leer de signalen van jóuw kind herkennen in de aanloop, voordat het kookpunt er is. Meestal zit er een vast patroon in.
- Kijk kritisch naar de volle momenten: de overgang van school naar huis, drukke verjaardagen, het einde van de dag. Daar valt vaak het meeste te winnen.
En denk ook even aan jezelf. Een overprikkeld kind opvangen kost jou veel, dag in dag uit. Loop je zelf al langer op je tandvlees, dan wordt dit dubbel zwaar. Hoe je je eigen draagkracht bewaakt lees je bij overbelasting en ouderburn-out. Zie je dat de overprikkeling zich vooral na schooltijd opstapelt, dan helpt dit artikel over een kind dat thuis ineens boos of overstuur is je verder.
Inzoomen op de prikkelverwerking
Inzoomen op de prikkelverwerking van een individu is dus een erg breed begrip. Maar het is wel erg belangrijk wanneer je als ouder echt een probleem wil aanpakken. Omdat het zo’n breed begrip is, zal ik proberen om hieronder een soort leidraad neer te zetten die je kan gebruiken bij het uitpluizen van de prikkelverwerking. Op die manier kan je proberen een eventuele oorzaak op te sporen die verholpen dient te worden, of om een passende oplossing te bedenken waardoor er beter te leven valt met deze manier van prikkelverwerking.
- Probeer in de eerste instantie eens jouw kind te omschrijven. Wat is het voor kind, wat voor karaktertrekken zou je omschrijven bij je kind, wat zijn zijn of haar sterke en zwakke kanten? Is hij of zij meer introvert of extravert?
- Hoe verwerkt jouw kind sensorische prikkels. Is hij of zij gevoelig voor bepaalde geluiden, geuren, fel licht etc. En kan dit op de een of andere manier in relatie staan tot het probleem? (bijvoorbeeld, hoofdpijn op school door te felle TL-lampen, niet willen eten door overgevoeligheid van bepaalde geuren tijdens het koken, is je kind bijvoorbeeld juist ondergevoelig voor temperatuur waardoor hij altijd in t-shirt naar school wil en niet meer naar school wil omdat hij een trui aan moet).
- Hoe verwerkt je kind sociale informatie en situaties? Beleeft hij of zij plezier aan sociale interactie of levert het juist spanning op? Begrijpt hij non-verbale communicatie (bijvoorbeeld gezichtsuitdrukkingen) goed? Is hij vaak betrokken bij opstootjes? Hoe gaat hij om met leeftijdsgenootjes en volwassenen en vreemden? Is hij of zij gevoelig voor groepsdruk? Hoe ligt je kind in de groep?
- Hoe verwerkt je kind interne prikkels? Heeft hij of zij veel bewegingsonrust? Is hij of zij impulsief? Is dat altijd zo geweest of is dat nog niet zo lang zo? Zijn er lichamelijke dingen die mogelijk spelen en betrekking hebben op het probleem?
- Hoe verwerkt je kind externe prikkels? Is hij of zij snel afgeleid? Is je kind in staat om informatie te filteren en hoofd- en bijzaken te onderscheiden? Heeft je kind snel last van drukte om hem heen? (Denk bijvoorbeeld een kind die slecht scoort op rekenen omdat hij achterin zit en door de geluiden en het geroezemoes de uitleg van de leerkracht altijd mist)
- Hoe verwerkt je kind emotionele prikkels (zowel van zichzelf als van anderen)? Kan hij goed emoties herkennen? Kan hij goed emoties verwoorden? Blijft hij ergens lang in hangen? Kan het zijn dat er een bepaalde emotie op de achtergrond zorgt voor een ander probleem (bijvoorbeeld angst die maakt dat je kind niet naar school wil of niet wil slapen, of verdriet die maakt dat je kind veel woede aanvallen heeft?) Hoe is het zelfbeeld van je kind? Hebben er gebeurtenissen plaatsgevonden die invloed kunnen hebben op de emoties van je kind?
Tenslotte
Bovenstaand stappenplan is maar een basis en zou nog véél uitgebreider kunnen. Maar het brengt je zeker verder in het uitpluizen van de prikkelverwerking. Zo kan je bijvoorbeeld nog dieper ingaan op dingen die moeilijk zijn en uitpluizen wát er precies zo moeizaam gaat of waarom dat niet zo goed lukt. Probeer outside the box te denken en hier net zo lang mee door te gaan totdat je een goed beeld hebt van wat er speelt en hoe je je kind kan helpen.
Uiteraard is het niet altijd nodig om helemaal de diepte in te duiken. Als het probleem al snel helder is en de oplossing ligt voor de hand dan kan je de rest laten voor wat het is. En andersom geldt ook dat het soms kan zijn dat je dénkt een volledig beeld en goede oplossing te hebben, maar dat je er gaandeweg achter komt dat de vork toch iets anders in de steel blijkt te steken; dan kan het zijn dat je opnieuw in de informatieverwerking moet duiken met alle nieuwe informatie die je hebt verkregen. Pas dan kan je tot een (acceptabele) oplossing komen. Uiteraard zal je hiermee niet van een stuiterende snelheidsduivel een ingetogen Boeddhist kunnen maken. Maar het kan zeker helpen om van een onhoudbare situatie naar een leefbare situatie te gaan.







