Hoeveel ouders hebben een parentale burn-out in Nederland?
10 september 2026 
4 min. leestijd

Hoeveel ouders hebben een parentale burn-out in Nederland?

Bijna vier op de tien ouders in Nederland herkennen klachten die bij een parentale burn-out passen, zoals extreme vermoeidheid, afstand voelen tot je kind en het gevoel dat je alleen nog aan het overleven bent. Dat blijkt uit het rapport "Ouders onder druk" van de Erasmus Universiteit Rotterdam uit januari 2026. Een kleinere groep zit er echt in, ernstig en langdurig, en juist die groep vraagt zelden hulp.

Je hoort het getal en je denkt misschien meteen dat het niet kan kloppen, want dan zou de halve schoolpleinrij ermee rondlopen. Dat klopt dus ongeveer. Alleen zie je het niet, want een ouder met een parentale burn-out staat gewoon om kwart over acht bij het hek, met de broodtrommels in de fietstas en een glimlach die net iets te lang duurt. In dit artikel zet ik de cijfers op een rij die er echt zijn, leg ik uit wat ze wel en niet zeggen, en wie het zwaarst wordt geraakt.

Bijna vier op de tien ouders herkennen de klachten

Het meest recente en meest complete beeld komt uit het rapport "Ouders onder druk. Ouderschap in een veeleisende tijd", dat de Erasmus Universiteit Rotterdam op 27 januari 2026 uitbracht, samen met de Vrije Universiteit Amsterdam en de Universiteit Leiden. Het rapport bundelt meerdere onderzoeken en is gemaakt met wetenschappers, ouders en opvoedprofessionals. De kernconclusie is dat 39 procent van de ouders klachten ervaart die passen bij een parentale burn-out. Het rapport zelf noemt dat een ouderschapsburn-out; het gaat om hetzelfde verschijnsel.

Let op wat daar staat, want het is een belangrijk onderscheid. Het gaat om ouders die de klachten herkennen, dus moe tot op het bot, emotioneel op afstand van hun kind, in de overlevingsstand. Dat is iets anders dan 39 procent die klinisch in een burn-out zit. De onderzoekers benoemen die zware groep apart, met 5 procent zorgwekkende klachten en 2 procent ernstige klachten. Dat is de groep waar het woord burn-out echt op past.

Diezelfde onderzoekers geven nog twee cijfers die het plaatje afmaken. Driekwart van de ouders kreeg het afgelopen jaar geen enkele hulp bij het opvoeden. En ruim veertig procent maakt zich regelmatig zorgen over het ouderschap of over de ontwikkeling van het eigen kind. Zet die drie naast elkaar en je ziet het patroon dat ik in de praktijk ook zie. Veel ouders lopen op hun tandvlees, bijna niemand vraagt hulp, en ondertussen maken ze zich wel zorgen.

Eén op de vijf ouders heeft burn-outverschijnselen

Een tweede getal dat begin 2026 rondging is dat één op de vijf ouders burn-outverschijnselen heeft door het ouderschap. Dat cijfer noemde Maartje Luijk, hoogleraar pedagogiek aan de Erasmus Universiteit, in januari 2026 op NPO Radio 1, en het is daarna door onder meer de EO overgenomen. Het past bij de 39 procent hierboven. Die 39 procent herkent klachten, de twintig procent heeft er zichtbaar last van, en een nog kleinere groep is echt opgebrand.

Wat je hier ziet is hoe zulke cijfers werken. Hoe strenger de lat, hoe kleiner de groep. Dat maakt geen van de getallen fout; ze meten iets anders. Voor jou als ouder is de vraag welke lat jij gebruikt vooral van belang als je jezelf afvraagt of je "erg genoeg" bent om iets te doen. Mijn antwoord daarop is steevast dat je daar niet op hoeft te wachten (en dat het ook helemaal niet hoeft van iemand anders). Wie zichzelf herkent in de signalen van overbelasting mag daar gewoon iets mee doen, of het nu een op de vijf is of bijna vier op de tien.

Nederland in de wereld

Parentale burn-out is geen typisch Nederlands verschijnsel, al lijkt het er soms op. De Belgische hoogleraren Isabelle Roskam en Moïra Mikolajczak, die de term zo'n tien jaar geleden op de kaart zetten, hebben in 2021 ruim 17.000 ouders in 42 landen onderzocht. Hun belangrijkste uitkomst is dat het aantal opgebrande ouders enorm verschilt per land, en dat individualistische, westerse landen bovenaan staan. De cultuur waarin je opvoedt bleek een grotere voorspeller dan armoede of het aantal kinderen. Hoe meer een samenleving van ouders verwacht dat ze het zelf en perfect doen, hoe meer ouders opbranden.

Nederland hoort bij die individualistische landen. Wij hebben de dorpen, de opa's en oma's om de hoek en de vanzelfsprekende buren grotendeels ingeruild voor twee werkende ouders, een agenda-app en het gevoel dat je het allemaal zelf moet regelen. Dat is geen verwijt aan wie dan ook, het is de tijd waarin we leven. Het verklaart wel waarom een rapport met de titel "Ouders onder druk" hier precies raak is.

Wie het zwaarst wordt geraakt

De onderzoekers van "Ouders onder druk" noemen drie groepen die het het moeilijkst hebben. Moeders, ouders van kinderen onder de vier, en ouders van kinderen die extra zorg nodig hebben.

Bij moeders speelt de mental load mee, het onzichtbare regelwerk dat nog steeds vooral op hun bord ligt. Bij ouders van jonge kinderen is het simpelweg de optelsom van slaaptekort en nooit klaar zijn. En bij ouders van een kind dat meer vraagt, of daar nu een naam voor is of niet, is de dagelijkse belasting structureel hoger dan bij de buren, terwijl de buitenwereld dat nauwelijks ziet. Dat laatste is precies de groep die ik in mijn werk het meest tegenkom, en het is ook de groep die het langst wacht met hulp vragen, omdat ze denken dat het aan henzelf ligt.

Wat deze cijfers niet zeggen

Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er dingen zijn die we niet weten. Er is in Nederland geen landelijke, jaarlijkse meting van parentale burn-out met een vaste diagnostische lat, zoals die er wel is voor werkgerelateerde burn-out. De cijfers hierboven komen uit vragenlijstonderzoek, waarin ouders zelf aangeven wat ze herkennen. Dat is een goede manier om te zien hoe breed het probleem leeft, en een minder goede manier om precies te tellen hoeveel ouders klinisch zijn opgebrand.

Ook weten we niet goed hoe de cijfers zich door het jaar heen bewegen. Uit mijn eigen praktijk weet ik dat september en januari de maanden zijn waarin de meeste ouders aan de bel trekken, na de zomervakantie en na de decemberdrukte. Of dat in de landelijke cijfers ook zo is, is nooit gemeten.

En nog iets. Een getal als 39 procent is groot, en kan daardoor gek genoeg geruststellend werken. Iedereen is moe, dus het hoort erbij. Dat is de verkeerde conclusie. Dat veel ouders het zwaar hebben, betekent niet dat het normaal is om maanden achter elkaar op te branden. Het betekent dat we het als samenleving met elkaar veel te gewoon zijn gaan vinden.

Wat je met deze cijfers kunt

Als je dit leest omdat je zelf op zoek was naar een getal, dan vermoed ik dat je eigenlijk een andere vraag had. Namelijk of dat wat jij voelt, ook echt iets is. Het antwoord is ja. Je bent met heel veel andere ouders, en dat is geen reden om het te laten zitten. Herken je jezelf in de vermoeidheid die niet meer overgaat, de afstand tot je kind en het gevoel dat je alleen nog maar aan het overleven bent, kijk dan eens naar de overzichtspagina over parentale burn-out en overbelasting. Daar staat wat het is, hoe het ontstaat, en wat er wel en niet helpt. Wil je liever eerst weten waar je zelf staat, dan is de Ouderbelasting Zelftest daar in een paar minuten voor gemaakt.

Over de schrijver
Ik ben Lara van der Zwaag, orthopedagoog en oprichter van de Online Opvoed Uni. Ik help ouders van temperamentvolle en gevoelige kinderen om hun kind beter te begrijpen, steviger te reageren en patronen binnen het gezin te doorbreken. Mijn expertise ligt op het snijvlak van opvoeding, prikkelverwerking, emotieregulatie, gezinsdynamiek en overbelasting bij ouders.Binnen dat werk ben ik gespecialiseerd in parentale burn-out, ook wel ouderburn-out of ouderschapsburn-out genoemd. Ik zie dagelijks hoe intens ouderschap, voortdurende afstemming, mentale belasting en een kind dat structureel meer vraagt ouders langzaam kunnen uitputten. Niet alleen als individueel probleem, maar ook als iets wat doorwerkt in de dynamiek van het hele gezin.Met de Online Opvoed Uni bieden we ouders praktische en deskundige ondersteuning, met oog voor de unieke behoeften van hun kind, de patronen binnen het gezin en de draagkracht van de ouder zelf. Zodat ouders niet alleen meer grip krijgen op het gedrag van hun kind, maar ook op de manier waarop het ouderschap voor henzelf vol te houden blijft.